Zo werkt het
De naam bio-energie heeft alles te maken met de bron. Bio-elektriciteit en biowarmte komen namelijk voort uit biologisch (of organisch) materiaal. Dat varieert van (snoei)houtafval afkomstig uit de industrie en rioolslib uit waterzuiveringsinstallaties, tot GFT uit huishoudens, plantaardige oliën en vetten uit de voedingsmiddelenindustrie, mest uit veebedrijven en speciaal voor bio-energie geteelde gewassen, zoals koolzaad (foto) en palmbomen.
In 2005 werd 4,22 procent van het elektriciteitsverbruik in Nederland opgewekt uit biomassa. Als dit deel uit fossiele brandstoffen was opgewekt, zou er 4434 miljoen kilo meer CO2 in de lucht zijn gekomen. Dat is 2,53 procent van de totale kooldioxide-uitstoot in dat jaar.
De energie uit biomassa komt doorgaans vrij in de vorm van warmte, door verbranding, vergisting of vergassing van de biomassa. Vaak gebruikt het verwerkingsbedrijf zelf een deel van die warmte voor eigen verwarming. Soms verwarmt biowarmte ook rechtstreeks huishoudens van nabijgelegen woonwijken. Het grootste deel van de warmte wordt echter omgezet in elektriciteit. Lees meer over verbranding, vergisting en vergassing op Opwekking van bio-energie.
Daarom groen
Bio-energie mag om verschillende redenen als 'groene' energie worden verkocht. Allereerst is de bron duurzaam: biomassa raakt, in tegenstelling tot fossiele brandstoffen, niet op. Bio-energie is ook zogeheten klimaatneutraal. Kooldioxide (CO2) die vrijkomt bij verbranding, vergassing of vergisting van biomassa, draagt namelijk niet bij aan het versterkte broeikaseffect.
Dat klinkt misschien onlogisch, want kooldioxide uit bio-energie is niet wezenlijk anders dan die uit fossiele brandstoffen. Toch is het effect op de lange termijn anders.
Planten nemen kooldioxide op uit de lucht, en leggen dat vast in hun weefsels. Als ze doodgaan, komt kooldioxide meestal weer vrij. Tijdens deze (relatief korte) cyclus, blijft de hoeveelheid kooldioxidegas in de lucht constant. Opwekking van bio-energie versnelt de cyclus, maar verhoogt de netto concentratie CO2 niet. Fossiele brandstoffen doen dat wel.
Fossiele brandstoffen bevatten CO2 die miljoenen jaren geleden door planten is vastgelegd. Het kooldioxide kwam destijds niet vrij na sterfte van de planten, omdat bijzondere omstandigheden leidden tot opslag (fossiliseren) van het materiaal. Het oude kooldioxide ligt dus buiten de CO2-cyclus opgeslagen en komt van nature niet vrij. Maar sinds we fossiele brandstoffen verbruiken, belandt fossiele CO2 als extra hoeveelheid in de atmosfeer. Met het broeikaseffect als resultaat.
Of niet...
Tegenstanders van bio-energie wijzen kritisch op andere aspecten van bio-energie dan de directe CO2-gevolgen. Hoe duurzaam is rioolslib bijvoorbeeld, als bij door verbranding zware metalen in het milieu komen? En mag palmolie een duurzame bron heten, als die is geteeld op akkers waar voorheen tropisch regenwoud stond? Hieronder de grootste bezwaren tegen een groene stempel op alle bio-energie.
Debat: wel of niet duurzaam?
De duurzaamheid van bio-energie is lastig te meten. Allereerst hangt die niet alleen af van de hoeveelheid CO2 die vrijkomt. Het hele proces dat leidt tot energie uit biomassa moet onder de loep, voordat duidelijk is of het duurzaam is. Dat betekent: kijken naar de herkomst van de biomassa en de verwerkingswijze (verbranding, vergassing of vergisting). Maar wat je ook moet meewegen zijn de energiekosten en de milieubelasting die ontstaan door voorbewerking, transport en restafval. Ook de technische kenmerken van energiecentrales (zoals efficiëntie) hebben invloed op de milieuvriendelijkheid van energie uit biomassa.
Het debat draait dus niet zozeer om de vraag of alle energie uit biomassa duurzaam is, maar welke vorm van energie uit biomassa duurzaam is, en onder welke voorwaarden.Elke soort biomassa heeft specifieke eigenschappen, eigen voor- en nadelen, én onzekerheden.
Overheid onderzoekt criteria
In 2007 heeft de Minister van Milieu een rapport ontvangen van de projectgroep 'Duurzame productie van biomassa'. Dat bevat een voorstel om duurzaamheidscriteria voor biomassa op te nemen in het beleid en beleidsinstrumenten, en volgt op een onderzoek uit 2006 naar die criteria. Een belangrijk startpunt is volgens het rapport dat er een certificaat komt waarmee de herkomst van biomassa altijd is te traceren, zodat productieomstandigheden en -traject controleerbaar worden.
De criteria zijn nog in ontwikkeling, maar zullen waar mogelijk aansluiten op bestaande keurmerken en convenanten. De uitstoot van CO2 is voor elke productstroom goed meetbaar, aldus het rapport, maar staat nog in geen enkel keurmerk opgenomen als criterium. Daarvoor moet daarom een aanvullende toetsing komen.
Voor zes thema's heeft de projectgroep criteria of voorwaarden opgesteld, waaraan biomassaproductie moet voldoen. De thema's zijn broeikasbalans, concurrentie in voedsel of lokale energievoorziening, biodiversiteit; welvaart, welzijn en milieu. Het gaat bij duurzaamheid namelijk niet alleen om CO2-uitstoot, maar ook om sociaal-ecomische ontwikkelingen die op de lange termijn houdbaar moeten zijn.
Macrogevolgen
In het rapport wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijfsleven en overheid. Elk heeft een eigen verantwoordelijkheid, aldus het rapport. Het bedrijfsleven moet uiteindelijk gaan voldoen aan criteria op gebied van duurzaamheid bij de productieketen. Maar van bedrijfsleven kan je niet verwachten dat ze rekening houdt met macro-effecten van biomassaproductie: namelijk de indirecte regionale of landelijke gevolgen. Dat is een taak van de Nederlandse overheid. Nederland stimuleert immers gebruik van biomassa voor energieproductie.
Wanneer bijvoorbeeld blijkt uit onderzoek dat een biomassaproduct uit een bepaald land de oorzaak is van ontbossing, of als productie een negatieve invloed heeft op de grond- en voedselprijzen, dan zou de overheid dat biomassaproduct niet moeten stimuleren en gebruik ervan zelfs moeten ontmoedigen.
Standpunten
Milieuorganisaties
Milieuorganisaties volgen de ontwikkelingen nauwgezet en staan vaak kritisch tegenover bio-energie. De belangrijkste argumenten:
- Er is vaak onduidelijkheid over de herkomst van de biomassa: zonder inzicht in productie, vervoer en verwerking, is duurzaamheid niet te meten.
- Bij veel biomassaverwerking komen schadelijke stoffen vrij; dat geldt voor mest, rioolslib en sloophout. Het gaat om zware metalen, chloor, zwaveloxide en fijn stof, maar ook broeikasgassen zoals methaan, lachgas en fluorgas.
- Teelt van biomassa voor bio-energie (mn. biobrandstof) kan wereldwijd de biodiversiteit en voedselproductie bedreigen, door houtkap en tekort aan akkerbouwgronden; dat geldt voor palmolieproductie, waarvoor mogelijk tropisch regenwoud moet wijken.
- bio-energie concurreert met duurzaam hergebruik van materialen (vooral hout, en GFT uit huishoudafval), en stimuleert de niet-duurzame bio-industrie (kippenmest).
- Er zijn mogelijk negatieve sociale gevolgen van bio-energie. Bijvoorbeeld voor ontwikkelingslanden, waar massale teelt van bio-energiegewassen kleinschalige landbouw mogelijk wegconcurreert, of natuurgebieden bedreigt.
Overheid
De overheid stimuleert bio-energie omdat ze biomassa beschouwt als een duurzame bron van energie. Ruim de helft van de duurzame energie die in Nederland wordt opgewekt, is afkomstig van biomassa.
De doelstelling van de overheid is om in 2020 tien procent van de energie uit duurzame bronnen te halen. Met Europa is bovendien afgesproken dat in 2010 al 9 procent van de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Om dit te kunnen halen zijn er diverse regelingen en subsidies in het leven geroepen. Consumenten kunnen daardoor makkelijker kiezen voor (vaak iets duurdere) duurzame energie.
Stimuleringsregelingen
Ondernemers kunnen gebruik maken van de Energie Investeringsaftrek (EIA), die beloont energiebesparende maatregelen en duurzame energie via gunstige belastingmaatregelen.
Kolenconvenant
Met kolencentrales zijn afspraken gemaakt, bekend als 'het kolenconvenant'. Daarin staat dat de centrales 5,8 miljard kilogram minder CO2 zullen uitstoten tussen 2008 en 2012. Dat betekent meer biomassa mee- of bijstoken, in plaats van kolen te gebruiken als brandstof.
MEP
Tussen 2003 en 2006 bestond ook de MEP-subsidie, de regeling voor de Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie. Die vergoeding ging naar energieproducenten voor duurzaam opgewekte energie, en had eerder de Regulerende Energiebelasting voor consumenten vervangen (beter bekend als Ecotax of energieheffing). De MEP-vergoeding is op 18 augustus 2006 afgeschaft.
Er bestaat nog wel een vergoedingsregeling voor bedrijven die al kosten hadden gemaakt voor de realisatie van duurzame energieprojecten, in de verwachting van een MEP-subsidieaanvraag tussen augustus en december 2006.
Vergisting op het boerenbedrijf
Kleine agrarische ondernemers die vergevorderde investeringsplannen hadden voor vergistinginstallaties, kunnen soms nog gebruik maken van de 'Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistinginstallaties'.
Meer informatie
Naar boven